Klacht over de (voorgenomen) verwijdering van leerlingen en het handelen van de school ten aanzien van gedragsproblematiek. Klacht deels gegrond, deels ongegrond.
De situatie
De klacht is ingediend door de moeder van twee leerlingen die in het schooljaar 2024-2025 onderwijs volgden op de school. De klacht ziet op het voornemen van het bestuur om beide kinderen te verwijderen van de school en op het handelen van de school ten aanzien van het gedrag van één van de leerlingen. Aanleiding vormden meerdere incidenten in de klas en op het schoolplein, gevolgd door een klacht van ouders over het handelen van een leerkracht.
Na lesobservaties en gesprekken deelde de school mee dat zij geen aanleiding zag om te twijfelen aan het functioneren van de leerkrachten. Ouders gaven daarop aan het vertrouwen in de school te hebben verloren en oriënteerden zich op andere scholen. Het bestuur heeft vervolgens een voornemen tot verwijdering uitgesproken, onder verwijzing naar een onherstelbare vertrouwensbreuk en handelingsverlegenheid. Een formeel verwijderingsbesluit is uiteindelijk niet genomen, maar de leerlingen zijn nadien op andere scholen geplaatst.
Oordeel Commissie
De klacht over de (voorgenomen) verwijdering van de leerlingen is gegrond. De klacht over het nalatig handelen van de school bij het inzetten van interventies is ongegrond. De klacht over de uitvoering van de ingezette interventies is gegrond.
(Voorgenomen) verwijdering
De Commissie stelt vast dat het voornemen tot verwijdering feitelijk heeft geleid tot een situatie waarin één van de leerlingen niet langer welkom was op school, terwijl er op dat moment geen passend alternatief beschikbaar was. De Commissie acht aannemelijk dat sprake is geweest van een de facto verwijdering. Hoewel een vertrouwensbreuk tussen ouders en school in uitzonderlijke gevallen verwijdering kan rechtvaardigen, is niet gebleken dat deze vertrouwensbreuk zodanig ernstig en onherstelbaar was dat verwijdering de enige optie was.
Daarnaast constateert de Commissie dat ouders niet expliciet en schriftelijk zijn gewaarschuwd dat het uitspreken van een vertrouwensbreuk zou kunnen leiden tot verwijdering. Het voornemen tot verwijdering is voor ouders daardoor onvoorzien gekomen, temeer nu zij zelf al stappen hadden gezet om hun kinderen op een andere school te plaatsen. De Commissie oordeelt dat het bestuur in redelijkheid niet tot het voorgenomen besluit tot verwijdering heeft kunnen komen.
Inzetten van interventies
De Commissie stelt vast dat zowel de school als ouders zich hebben ingespannen om het gedrag van de leerling te verbeteren. Er zijn gesprekken gevoerd, observaties uitgevoerd en externe deskundigen betrokken. De Commissie acht aannemelijk dat de school planmatig heeft gehandeld bij het inzetten van interventies en dat hierover afstemming met ouders heeft plaatsgevonden.
Uitvoering van interventies
De Commissie oordeelt dat de school tekort is geschoten in de uitvoering van enkele ingezette interventies. Zo is een gedragsmethodiek slechts kort toegepast en niet structureel geëvalueerd. Daarnaast is bij de lesobservaties uitsluitend gekeken naar het pedagogisch klimaat van de leerkrachten en niet naar de interactie tussen leerkracht en leerling. Hierdoor zijn mogelijke verklaringen en oplossingsrichtingen onvoldoende onderzocht. De Commissie acht dit onzorgvuldig.